- Laten we het eens hebben over onze verborgen kanten. Dus niet over wat we van elkaar zien, maar over wat we niet zien, misschien niet willen zien, of nooit te zien zullen krijgen. Kanten die we ook zelf nooit te zien zullen krijgen in ons aardse bestaan. Dat begint al bij een boreling. Wat een overrompelende verrassing zo’n compleet nieuwe minimensje. We kijken onze ogen uit, bij elke geboorte lijken ze steeds kleiner te zijn. De grote vragen beginnen naar hoe het zich zal gaan ontwikkelen, en die blijven in feite hangen tot aan het einde toe.

We zijn verrukt over de eerste tekenen van leven, als het reageert op licht, het eerste lachje, als het wurm boert of huilt, als het protesteert of kraait. En dan: op wie lijkt het, zien we er iets bekends in? Het gaat snel: de eerste woordjes, stapjes, soms wou je dat dat koddige altijd zo bleef, maar je verstand roept je tot de orde. Bovendien is er meteen die spannende vraag naar het karakter: herkennen we ons als ouders in ons kind? Is er erfelijke herkenning? Is het rustig, opstandig, ondernemend, vrolijk? enz. Dit gaat door in de verdere ontwikkeling: welke aanleg of talenten heeft het? Dit bepaalt sterk de scholing of beroepsopleiding die gekozen wordt, de partnerkeuze, de ontwikkeling van een maatschappelijke positie enz.

Maar het omgekeerde gebeurt ook: scholing en gekozen beroep, de eventuele partner vormen ook de persoon in kwestie. Daarbij is niet alles een vrije keuze: er zijn heel veel omstandigheden die de karakterontwikkeling en persoonsvorming positief of negatief beïnvloeden. Ook als je voor jezelf een heel gerichte lijn voor ogen hebt qua beroep en levensinvulling kan het grillig verlopen. Gezondheid, werk, inkomen zijn vaak sterk afhankelijk van of worden gestuurd door spontane, toevallige of onverwachte gebeurtenissen en invloedsferen, om nog maar te zwijgen over de druk van de prestatiemaatschappij. Soms kom je heel anders ‘terecht’ dan je had gedacht of gewild. En dan zijn er nog de twaalf ambachten, dertien ongelukmensen, en de gelukkigen die heel lang in de speeltuin van het leven doordartelen maar toch laat nog balans vinden.

In een latere fase is er nog zoiets als het mid-life - ook als dat niet met een crisis gepaard gaat: de kanteling naar wat wel genoemd wordt de tweede helft van je leven; een speculatieve uitdrukking natuurlijk, maar we snappen wat ermee wordt bedoeld. Met vragen over ‘of dit het nu was’, of we dit zo hadden gewenst, maar ook hoe je nog aan de verdere invulling zou willen werken. Soms dubbel zo sterk in de pensioenfase, wanneer je terugkijkt naar hoe je leven verliep. Boeiende vragen wellicht: wat als ik nu eens geen metaalarbeider, maar bijvoorbeeld boer was geworden? Of geen politieagent maar coach van moeilijk opvoedbare jongeren? Geen financieel adviseur, maar ontwikkelingswerker? Of als ik me eens helemaal had gestort op violen kweken of pianospelen? Voor wie ze stelt is die verandering dan zelden nog mogelijk.

Je weet natuurlijk niet wat er dan van jezelf terecht was gekomen, of en hoe die sluimerende mogelijkheden je tot bloei hadden gebracht, dan wel diepongelukkig hadden gemaakt. Je weet niet of je een andere persoonlijkheid was geworden. Er zit van alles in ons wat niet werd ontwikkeld, waar we geen tijd voor hadden, maar waarbij je misschien wel een andere ‘ik’ was geworden. Ik stel die vragen ook wel eens aan mezelf; een antwoord komt er natuurlijk niet, maar een beetje retro- en introspectie kan verrijkend zijn; wie weet brengt het je tot de constatering dat je gewoon dik tevreden mag zijn met wat er van je terechtgekomen is.

Iets hiervan ervaar ik ook als ik een dierbare vriend of vriendin moet loslaten en met het gevoel achterblijf dat ik haar of hem maar zo beperkt heb gekend, het gesprek over dingen soms amper was begonnen, er misschien nog zoveel verrassingen hadden kunnen worden ontdekt die de relatie hadden verdiept. Misschien een prikkel om onze vriendschappen open en rijk in te vullen en te beleven. Dat blijft tot het laatst een mogelijkheid.

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl

Deel dit artikel